Een boek van het NAi over het Oostelijk Havengebied in Amsterdam - was er nog niet genoeg gepubliceerd over het gebied? Nee, 'het ontbrak nog aan een publicatie waarin het hele gebied in gerealiseerde vorm wordt gedocumenteerd', meende het NAi. Het is een sjiek uitgegeven boek op royaal formaat geworden, met zeer veel dikwijls prachtige foto's, kaarten en tekeningen, waaraan velen bijdroegen. De foto's alleen al zijn voldoende rechtvaardiging voor de aankoop van het boek.
Een reeks artikelen zorgt voor achtergrondinformatie op niveau, mag ik wel zeggen. Ik ken zelfs geen publicatie die zo bevredigt vanwege de hoeveelheid relevante en inside informatie. Over de historische ontwikkeling van dit havengebied, de gemeentelijke besluitvorming, stedenbouwkundige principes, die verlaten werden plus die ervoor in de plaats kwamen, en natuurlijk de spraakmakende architectuur. 'Alle Nederlandse toparchitecten hebben er gebouwd,' menen de samenstellers, en daarbij nog 'een groot aantal beroemde buitenlanders'.
Goede mix van auteurs
Een goede mix van auteurs draagt niet in het minst bij tot de kwaliteit van het werk. Daarbij zijn architectuurcritici als Hans Ibelings en Bernard Hulsman, maar ook een aantal rechtstreeks bij de plannen betrokken stedenbouwkundigen, zoals Ton Schaap. Hij is de grote man van het project, stond overal bij en kan menig smeuïg verhaal opdissen uit de ontwikkelingsgeschiedenis.
Zo vertelt Schaap dat Jo Coenen aan de Duitse architect Hans Kollhoff vroeg op het KNSM-eiland een ovaal binnenplein te ontwerpen, waarin een gekraakt douanekantoor moet worden opgenomen. 'Das mach ich nie!,' reageerde Kollhoff. Min of meer zijn eigen weg volgend, kwam hij, uitdrukkelijk in samenwerking met Christian Rapp, tot zijn ontwerp van Piraeus, het invloedrijkste gebouw in de Nederlandse architectuur uit de jaren negentig, ongetwijfeld een monument van de toekomst.
Toch Vinexwijk?
De algemene waardering over het Oostelijk Havengebied heeft de auteurs niet weerhouden van kritische distantie. Er is natuurlijk ook genoeg kritiek mogelijk, bij elk plan trouwens. Bernard Hulsman ziet, ondanks alle kwaliteit, toch merkwaardig veel overeenkomsten met Vinexwijken: compacte woonwijk zonder functiemenging met apart kantorenwijkje, apart winkelcentrum, en alles dicht bij een snelweg. Maar wel met honderd woningen per hectare 3x zo dicht bebouwd als een Vinexwijk, te vergelijken met de Concertgebouwbuurt.
Geen van de auteurs heeft overigens commentaar op de typisch Nederlandse ontstaansgeschiedenis van de nieuwbouw op de schiereilanden Borneo en Sporenburg. De gemeente Amsterdam vreesde dat er in de koopwoningen op Java en KNSM geen gezinnen met kinderen zouden trekken en dat vond niemand leuk. Daarom moest op Borneo en Sporenburg laagbouw verrijzen, een soort Jordaan. De gedachte echter dat zulks ten koste zou gaan van het aantal gebouwde woningen, zo dicht bij de binnenstad, vond men bijna gruwelijk. Er moesten daarom van de gemeente net zoveel woningen verrijzen als bij hoogbouw het geval geweest was. Stedenbouwkundigen wrongen zich in alle bochten om typen huisjes te ontwerpen, rug aan rug, zonder tuintjes, maar met toch iets van buitenruimten en privacy. Het resultaat is bekend: opmerkelijk, maar niet overtuigend.
